Aan ‘zielig’ willen we altijd wel wat doen

Door Georges Biever en Poul Gelderloos.

zeehondje

Laatst was het weer zover, een meneer op de televisie met een aandoenlijk verhaal. Hij dacht dat hij per jaar een pensioenuitkering zou gaan krijgen van € 20.000. Dat was hem jarenlang verteld. Nu, vlak voor het moment dat het grote genieten zou beginnen, bleek dat hij slechts € 11.000 per jaar aan pensioen krijgt. En dat is ‘zielig’. Dit keer was Zwitserleven de boosdoener, de maatschappij die reclame maakt voor het Onbezorgde genieten voor later en het Voordeel van vooruitdenken. Die had hem verkeerd geïnformeerd. Deze meneer vertelde dat het voor hem geen genieten zou worden, zeker niet onbezorgd. En wat betreft dat ‘vooruitdenken’, …

In en na de uitzending rolden de verschillende ‘experts’ en politici over elkaar heen, allemaal met stevige uitspraken, want dit was ‘zielig’ en dat mag niet in Nederland. En ja, wij vinden het ook triest als je een pensioenuitkering van € 11.000 krijgt terwijl je jarenlang € 20.000 had verwacht.

Maar wij zetten toch wel enkele kanttekeningen bij dit verhaal. En de stevige uitspraken van ‘experts’ en een aantal politici getuigen niet van voldoende kennis van zaken om hun voorstellen realiteitsgehalte toe te kennen. Zonder vergaande ingrepen in het pensioensysteem blijven hun voorstellen een dode letter en partijretoriek. Zij lijken een oplossing te bieden, maar die is er niet op die manier. Hun oplossing uitdragen als de ultieme waarheid, dat is pas echt zielig. En dát willen wíj weer niet.

 

Heeft deze meneer gekregen wat is afgesproken?

Ja, deze meneer heeft gekregen wat is afgesproken. Hij had met zijn werkgever afgesproken dat hij op zijn pensioendatum een bepaald kapitaal zou krijgen om daarmee pensioenuitkeringen aan te kopen. Dat kapitaal is bij Zwitserleven verzekerd. Dat afgesproken kapitaal krijgt hij ook van deze pensioenuitvoerder. Iedereen is zijn afspraken nagekomen. Einde contract, einde verhaal.
Met het kapitaal van Zwitserleven mag deze meneer pensioenuitkeringen aankopen bij elk andere pensioenverzekeraar in Nederland, dat hoeft niet per se bij de uitvoerder die de opbouw van de aanspraken heeft verzorgd. Hij heeft dat recht, want dat is wettelijk vastgelegd. Hierdoor is er dus geen ‘gedwongen winkelnering’. Met de aankoop van zijn pensioenuitkeringen ontstaat een nieuw contract tussen verzekeraar en de gepensioneerde deelnemer. De essentie van dat contract is dat de koopsom geldt als de tegenprestatie voor een toekomstige reeks periodieke uitkeringen. De hoogte van die reeks uitkeringen wordt bepaald door de dan geldende maatschappijtarieven op het moment van aankoop. De rekenrente maakt daarvan onderdeel uit.
Pers en politiek doen alsof alleen de betreffende pensioenuitvoerder de gebeten hond moet zijn. Dat vinden we te kort door de bocht. Het gaat voorbij aan de verantwoordelijkheid van de werkgever en van meneer. Daarover later meer.

 

Bij wie ligt het risico?

Er zijn verschillende risico’s die bij een dergelijk contract een rol spelen. Het risico of de beleggingen wel genoeg renderen tot de pensioendatum om het kapitaal op die datum te kunnen uitkeren (beleggingsrisico), het risico dat de rente op de pensioendatum wel hoog genoeg is om de beoogde pensioenuitkeringen te kunnen doen (renterisico) en bijvoorbeeld het risico dat we langer leven (het langlevenrisico). Die verschillende risico’s liggen in de verschillende perioden bij de verschillende partijen. Het beleggingsrisico ligt bij de verzekeraar, het rente- en langlevenrisico ligt bij een dergelijk contract bij de werknemer. Deze risico’s betreffen namelijk de periode na de pensioendatum, de periode die ligt na de einddatum van het contract uit de opbouwperiode.

 

Wat is hem verteld?

De vraag is dan of deze meneer ooit wel is verteld welke risico’s bij hem liggen toen hij met zijn werkgever afspraken maakte over zijn pensioenregeling. Is hem verteld dat zijn pensioencontract uitging van een renteniveau van 5% om zijn pensioenuitkeringen aan te kopen? En toen de werkgever en diens adviseur zagen dat de rente bij lange na geen 5% zou zijn op de pensioendatum, hebben zij toen maatregelen genomen om de schade te beperken? Nee, dat hebben zij niet gedaan, want dat was ‘te duur’.
Dat klopt, doordat de uitgangspunten voor deze pensioenregeling onjuist bleken te zijn, heeft de werkgever jarenlang in feite te weinig premie betaald. Als je dat later wilt herstellen, dan kost dat inderdaad geld, veel geld ineens. De werkgever heeft ervoor gekozen dit niet te herstellen. Maar heeft die werkgever dat zijn werknemer wel verteld? En hem laten zien welke gevolgen dat zou hebben?

 

De oplossing, doorbeleggen na Pensioendatum?

De oude oplossing kan nu ineens weer wel: een pensioenknip. Maar moeten we het daar eigenlijk nog over hebben gezien de teleurstelling over de vorige? We kunnen er niet omheen er toch iets van te zeggen.

Oude oplossing, een pensioenknip

De betreffende meneer zit nu met een groot tekort in zijn pensioenuitkeringen. Een aantal jaren geleden bestond er hetzelfde probleem voor diegenen die toen met pensioen gingen. Toen is er, ook op initiatief van de VVD, de zogenaamde pensioenknip geïntroduceerd. Mensen konden hun pensioenkapitaal in twee stukken knippen. Het eerste deel gebruikten zij voor uitkeringen in maximaal de eerste vijf jaar, de rest voor de uitkeringen na die eerste periode. Die pensioenknip heeft nooit gewerkt, dat was op voorhand al duidelijk. Het bleek dat betrokkenen in die eerste periode minstens een rendement van 8 tot 9 procent per jaar moesten halen om die pensioenknip te kunnen ‘financieren’. Vervolgens bleek achteraf dat de rente in die periode alleen maar was gedaald. Hierdoor kwamen zij zelfs nog slechter uit dan in de oorspronkelijke situatie. Zij hebben gegokt met hun pensioengeld, gegokt op een hogere rente en zij hebben verloren. ‘De gepensioneerde werd geknipt en geschoren’, viel wel eens gekscherend te horen. Een mogelijk gestegen rente aan het eind van de uitstelperiode moet dan ook weer niet zijn ‘ingehaald’ door geactualiseerde sterftetafels. Had iemand nog aan dat vergrijzingsrisico van knippen gedacht?
Ook nu kondigt de VVD aan dat zij met een – nieuw – wetsvoorstel komt om dergelijke problemen te ondervangen. Dat wetsvoorstel moet er nog voor de zomer liggen. Ondertussen modderen we knippend door.

Nieuwe oplossingen?

De afgelopen periode is al een aantal oplossingen de revue gepasseerd. Een daarvan is dat het mogelijk moet zijn door te beleggen na de pensioendatum. Weer een soort pensioenknip dus, maar dan verfijnder. Ook gaan stemmen op dat de pensioenuitvoerder het renterisico op pensioendatum zou moeten afdekken. Of dat de werknemer/pensioengerechtigde verschillende aankoopmomenten mag kiezen voor de aankoop van zijn pensioen. Die aankoopmomenten zouden dan zowel voor als na de pensioendatum kunnen liggen.

Oplossingen vergen wezenlijke wijzigingen in het pensioensysteem

Technisch zijn al deze oplossingen best te realiseren, zowel fiscaal, juridisch, beleggingstechnisch als actuarieel. Soms kan dat zelfs met een simpele pennenstreek. Toch vergen de genoemde oplossingen een meer bedachtzame benadering. De gepresenteerde oplossingen gaan namelijk, helaas, voorbij aan een aantal wezenlijke uitgangspunten van het (huidige) pensioengebouw. Het knelpunt zal naar onze mening daarom niet in de technische uitwerking liggen, maar in een aantal principiële discussies die voorafgaand aan de ‘pennenstreek’ moet worden gevoerd. Wij noemen een aantal van die principiële wijzigingen.

Allereerst zal voor het doorbeleggen na pensioendatum de fiscale eis moeten vervallen dat een pensioenuitkering een vast en gelijkmatig verloop moet hebben. Ook moet de eis uit de Pensioenwet vervallen dat pensioenen in de uitkeringsperiode een geldelijke en vastgestelde voorziening is. Dat zijn wezenlijke wijzigingen in de uitgangspunten voor zowel de belasting- als voor de pensioenwetgeving.

Wellicht nog wezenlijker is de tweede principiële hobbel die moet worden genomen. Bij kapitaal- en beleggingsovereenkomsten volgens de definitie van de Pensioenwet (want daar gaat het hier om) eindigt het contract op de pensioendatum. Op de pensioendatum komt het kapitaal of de beleggingspot tot uitkering en is het dan ook ‘einde verhaal’ in de contractuele relatie tussen werkgever respectievelijk werknemer en de pensioenuitvoerder. Voor de uitkeringsperiode wordt een nieuw contract afgesloten met een pensioenuitvoerder. Het ligt niet voor de hand dat de pensioenuitvoerder in de periode tot de pensioendatum contractuele verplichtingen op zich neemt die na het einde van het contract liggen. Dat is zeker niet het geval als de werknemer het recht heeft om zijn pensioenuitkeringen bij een andere uitvoerder aan te kopen (het recht tot shoppen door de werknemer). De pensioenuitvoerder heeft de plicht aan die wens van de werknemer mee te werken. Elke afspraak die dat recht van de werknemer inperkt is nietig, zo staat in de Pensioenwet geschreven. Hierdoor kan de pensioenuitvoerder de werknemer niet beperken in diens keuzevrijheid op de pensioendatum, maar dus ook niet ‘alvast’ het renterisico afdekken. De pensioenuitvoerder kan daarvoor namelijk geen (juiste) prijs bepalen. Bij deze oplossing wordt het destijds zwaar bevochten recht op shoppen een shopverbod. Ook dat is een principiële wijziging.

In de derde plaats maakt een spreiding van de aankoopmomenten (zowel voor als na de pensioendatum) een inbreuk op de limitatief in de Pensioenwet opgenomen pensioenvormen. Ook daarover zijn bij de totstandkoming van de Pensioenwet principiële discussies gevoerd. Bij een spreiding van de aankoopmomenten wijzigt het wezen van kapitaal- en premieovereenkomsten in de kern: het contract eindigt niet meer op de pensioendatum, maar loopt over die datum heen. Hierdoor verschuiven risico’s die eerst bij de werknemer zaten naar de werkgever en/of de pensioenuitvoerder.

Wij zien het niet gebeuren dat dergelijke principiële discussies nu met een enkele pennenstreek tot historie worden verklaard. Het is altijd lastiger gebleken om principiële wijzigingen door te voeren dan om een aantal technische oplossingsmogelijkheden aan te brengen voor een, in dit geval toch tijdelijk, probleem. Het lijkt er met de genoemde oplossingen een beetje op dat een compleet nieuw brandweercorps wordt ingericht om een aantal keukenbrandjes te kunnen blussen.

 

Is deze meneer geholpen met deze oplossingen?

Nee, deze meneer is niet geholpen met deze oplossingen. Bottomline wil hij zekerheid over zijn pensioenuitkering, dat blijkt de facto ook uit zijn verhaal. Dat los je niet op door er na de pensioendatum meer beleggingsrisico in te stoppen. Als die risico’s moeten worden verkleind, zal blijken dat zekerheid haar prijs heeft.
Ook is hij niet geholpen met deze oplossingen omdat hij al lang voor zijn pensioendatum maatregelen had moeten nemen. Dat heeft hij niet gedaan en dat kan hij nu ook niet meer doen. Daarnaast zijn deze oplossingen structureel van aard en dragen zij niet bij aan het incidentele probleem van betrokkene.
Deze lage rente zal hoogstwaarschijnlijk van voorbijgaande aard zijn. Bij de genoemde oplossingen zit je daarna opgescheept met achterhaalde wetgeving die de zaken in ieder geval weer veel moeilijker heeft gemaakt voor werkgever, deelnemer en uitvoerder. Dan staat er een leeg, aangebouwd erkertje aan de rococo pensioenvilla.

In het kielzog van die mogelijke structurele aanpassingen van de pensioenwetgeving moet ook het lijfrentegebouw worden opgefrist. Veel uitgestelde lijfrenteverzekeringen kennen immers een soortgelijk ‘kritisch aankoopmoment’, lees: de afhankelijkheid van de op het aankoopmoment geldende rekenrente. Ook bij die verzekeringen kennen we de twee contractuele fasen: die van de opbouw en die van de uitkering, gecompleteerd met de faciliteit van fiscaal gefaciliteerde waardeoverdracht. Ook dat contractuele en fiscale kader zal naar onze indruk aandacht verdienen.

 

Zie ook onze publicatie van 31 maart 2015 “Beleggen met je pensioenpot: het nieuwe pensioendebacle?

Download PDF