Hof van Justitie schudt aan beschikbare premie pensioen

Een met de leeftijd stijgende werknemersbijdrage in de pensioenregeling, mag dat nu wel of niet? De discussie daarover in Nederland is de afgelopen jaren op een patstelling uitgelopen.
Maar vorig jaar heeft het Europese Hof van Justitie (HvJ) over een soortgelijke vraag een uitspraak gedaan. Hoewel de uitspraak alleen ging over de werkgeversbijdrage, lijkt nu ook het eerder door een tweetal ministers van SZW ingenomen standpunt over stijgende werknemerspremies discutabel. Krijgt de Commissie Gelijke Behandeling (nu: de College voor de Rechten van de Mens, CvRM) dan toch nog gelijk? De uitspraak van het HvJ maakt de discussie in Nederland ook weer actueel.

 

De Casus

Het geschil waarover het HvJ oordeelde, is op grote lijnen eenvoudig. De Deense werkgever Experian heeft een pensioenregeling. Voor werknemers jonger dan 35 jaar stelt Experian een premie ter beschikking (een beschikbare premie pensioen) van 6% van het salaris, voor werknemers tot 45 jaar is dat 8% en als de werknemer 45 jaar of ouder is dan geeft de werkgever 10%. De bijdrage van de werknemer zelf is de helft van de bijdrage van de werkgever. Er is dus sprake van een werkgeversbijdrage die afhankelijk is van de leeftijd van de werknemer.
Een ex-werkneemster, mevrouw Kristensen, stelde dat de werkgever hiermee een niet toegestaan onderscheid naar leeftijd maakte. Zij kreeg namelijk een werkgeversbijdrage van maar 6%, terwijl haar collega in de oudste leeftijdscategorie van de werkgever een bijdrage van 10% ontving. Mevrouw Kristensen wilde dat haar ex-werkgever voor haar ook 10% bijdroeg en startte een procedure om alsnog die hogere bijdrage van 10% te krijgen.

 

Het Kader

Het standpunt van mevrouw Kristensen is terug te voeren op de Europese Richtlijn 2000/78. Die richtlijn bepaalt, onder andere, dat werknemers niet ongelijk mogen worden behandeld uitsluitend op grond van een verschil in leeftijd. Voor pensioenregelingen kent de richtlijn twee uitzonderingen dat wel ongelijk mag worden gehandeld, namelijk als sprake is van de toetredingsleeftijd en als sprake is van de pensioenleeftijd. Maar daarvan was in deze situatie geen sprake.
In Denemarken is bij de invoering van deze richtlijn, net als in Nederland, een tussenzin uit de richtlijn over “het gebruik van leeftijdscriteria in actuariële berekeningen” geïnterpreteerd als zelfstandige, derde uitzonderingsmogelijkheid. En dat had in de ogen van de Deense wetgever (en daarmee ook de werkgever) tot gevolg dat een dergelijke stijgende pensioenbijdrage was toegestaan.

 

De Uitspraak

Het Europese Hof van Justitie dacht over de uitzonderingsmogelijkheden anders. Zij kwam tot de conclusie dat de zinsnede over “het gebruik van leeftijdscriteria in actuariële berekeningen” uitsluitend in het licht van de toetredings- en pensioenleeftijd moet worden gelezen.
Conclusie: er zijn dus geen drie, maar slechts twee uitzonderingsgronden. De leeftijdscriteria in actuariële berekeningen doen volgens het HvJ ‘niet mee’ als zelfstandige uitzonderingsgrond. Deze is onderdeel van de andere twee uitzonderingsgronden.

 

De Nederlandse beschikbare premieregelingen

In Nederland hebben veel beschikbare premieregelingen een leeftijdsgerelateerde premie. Hoe hoger de leeftijd, hoe hoger de premie. Het premieverloop is in die regelingen gebaseerd op door de belastingdienst gepubliceerde staffels. Als die staffels worden gebruikt, dan doet het er niet toe of het een jonge of een oude werknemer betreft, ze krijgen allemaal hetzelfde bedrag aan pensioenuitkering.
Deze door Nederland gevolgde systematiek is gebaseerd op de aanwezig geachte uitzonderingsgrond “het gebruik van leeftijdscriteria in actuariële berekeningen”. Dat is vastgelegd in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBLA, artikel 8 lid 3). De vermeende uitzonderingsgrond waarop dit artikel in de WGBLA is gebaseerd, komt nu volgens het HvJ geen zelfstandige betekenis toe.
Moeten we ons beschikbaar premiesysteem door die uitspraak van het HvJ daarom maar gelijk bij het oud vuil zetten? Of zijn er nog ‘ontsnappingsmogelijkheden’?

 

De Gevolgen

Nederland heeft de Europese Richtlijn, als we de de redenering van het HvJ volgen, niet juist geïnterpreteerd en dus ook niet goed geïmplementeerd. Nederland zal artikel 8 lid 3 van de WGBLA moeten schrappen of aanpassen.
Op grond van de uitspraak van het HvJ is er dan voor stijgende staffels geen wettelijke uitzonderingsgrond en is er sprake van ongelijke behandeling. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of dit een ongeoorloofde ongelijke behandeling is of dat er sprake kan zijn van een objectieve rechtvaardiging.
Deze objectieve rechtvaardiging kan worden gevonden in de systematiek en doelstelling van de premiestaffels zoals die in Nederland worden gebruikt. Op basis van een aantal vooronderstellingen leiden de per leeftijdscategorie berekende staffelpercentages tot exact hetzelfde pensioen bij pensioneren van de werknemer. Die gelijke pensioenuitkomst kan het aanknopingspunt zijn om tot een objectieve rechtvaardiging te komen van de in Nederland gebruikte premiestaffels.
Als dat daadwerkelijk zo blijkt te zijn, dan kan de betreffende pensioenregeling in stand blijven.

 

De Werknemersbijdrage aan de pensioenregeling

Kunnen dezelfde argumenten voor een objectieve rechtvaardiging worden gevonden als het gaat om werknemerspremies? Naar mijn mening kan dat niet. Daarvoor heb ik twee argumenten:

      • Een staffelgerelateerde eigen bijdrage voor de werknemer leidt er toe dat de oudere werknemer een hogere eigen bijdrage verschuldigd is dan de jongere. Bij ongelijke leeftijden en overigens exact gelijke omstandigheden heeft dat tot gevolg dat de oudere werknemer een lager netto-loon ontvangt dan de jongere collega. Dit lagere netto-loon is terug te voeren op een leeftijdsverschil en wordt niet gecompenseerd door een hoger pensioen voor deze oudere werknemer. Ze krijgen immers exact hetzelfde bedrag aan pensioen.
        Dit argument was er altijd al en wordt niet getroffen door de uitspraak van het HvJ.
      • De argumentatie van het ministerie van SZW was keer op keer dat de met de leeftijd stijgende werknemersbijdrage was toegestaan omdat dit voortvloeide uit de uitzonderingsgrond ex artikel 8 lid 3 van de WGBLA: de verschillen mochten worden veroorzaakt door gebruik van leeftijdscriteria bij actuariële berekeningen. Die grond valt nu onder de argumentatie van SZW weg. SZW heeft een bouwwerk opgetrokken en daar trekt de uitspraak van het HvJ het fundament onderuit. Het lijkt mij dan merkwaardig dat deze argumentatie nu zomaar en zelfs met terugwerkende kracht door een andere onderbouwing kan worden vervangen.

Het eerste argument was voor een aantal pensioenuitvoerders en adviseurs altijd al een reden om geen medewerking te verlenen aan pensioenregelingen waarbij van stijgende werknemersbijdragen sprake is. Een aantal werkgevers heeft toch een met de leeftijd stijgende werknemersbijdrage in hun pensioenregeling.
Afhankelijke van de destijds gegeven onderbouwing om WEL over te gaan op staffelvolgende werknemersbijdragen, is er voor de betreffende werkgever meer of minder aan de hand. In het eerste geval zal hij de werknemersbijdragen – met terugwerkende kracht? – alsnog gelijk moeten trekken. In het tweede geval kan in zijn situatie wellicht een andere onderbouwing volstaan.

 

Het Wachten op …

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bestudeert de uitspraak en wat de gevolgen hiervan zijn voor Nederland. Wordt dus vervolgd ……
Dat betekent dat op dit moment nog niet duidelijk is of en in hoeverre pensioenregelingen moeten worden aangepast. Wel is duidelijk dat de tot nu toe gebruikte formulering en onderbouwing in de ogen van het Europese Hof van Justitie geen stand houdt.

 

Conclusie

Voorlopig lijkt het er op dat het College voor de Rechten van de Mens een lichte voorsprong heeft gekregen op het ministerie van SZW. De CvRM heeft het Europese Hof van Justitie aan zijn zijde gekregen. Of dat voldoende is, zal uit het verdere verloop van de wedstrijd blijken. Ik sluit niet uit dat het ministerie van SZW nog een mogelijkheid vindt om de uitslag toch in haar voordeel om te buigen. In ieder geval is het laatste woord hierover nog niet gezegd en zal het nog wel even duren voordat dat gebeurt.
Inmiddels wacht de praktijk al negen jaar op duidelijkheid ……

Download PDF