Duidelijkheid over pensioenakkoord 2015

Vlak voor kerst had het kabinet met D66, ChristenUnie en SGP overeenstemming bereikt over de pensioenplannen voor 2015. Hun afspraken moesten nog in wetsvoorstellen worden ‘vertaald’. Op 20 januari 2014 heeft staatssecretaris Weekers van Financiën het wetsvoorstel daarvoor ingediend bij de Tweede Kamer. Ik verwacht dat de Tweede en nu ook de Eerste Kamer hun goedkeuring aan de kabinetsvoorstellen zullen geven en een en ander dus wet gaat worden. Misschien is er hier of daar nog een kleine wijziging, maar de hoofdlijn is uitgewerkt. Daarmee wordt dan het pensioenakkoord 2015 realiteit. In dit artikel beperk ik mij tot de wijzigingen in de fiscale kaders ten opzichte van 2014 en de eerdere voorstellen voor 2015.

Het voorstel is om het maximale opbouwpercentage voor het ouderdomspensioen bij middelloonregeling te verlagen naar 1,875%. Voor eindloonregelingen wordt het maximum 1,657%. Beschikbare premieregelingen krijgen met ingang van 2015 weer nieuwe premiestaffels. Deze moeten nog komen.

Het Wetsvoorstel Witteveen 2015 past ook de maximale percentages voor het partner- en het wezenpensioen aan. Daarover was in het pensioenakkoord niets vermeld, maar ook dat is nu uitgewerkt.

Het akkoord was op deze onderdelen wel erg summier, maar een en ander is nu duidelijk. De maximale jaarlijkse opbouwpercentages worden met ingang van 2015 als volgt:

Middelloonregeling

Eindloonregeling

 

2013

2014

2015

2013

2014

2015

Pens.dt. 65

Pens.dt. 67

Pens.dt. 65

Pens.dt. 67

Ouderdomspensioen

2,25%

2,15%

1,875%

2,00%

1,90%

1,657%

Partnerpensioen

1,58%

1,51%

1,313%

1,40%

1,33%

1,160%

Wezenpensioen

0,32%

0,30%

0,263%

0,28%

0,27%

0,232%

De fiscale ruimte voor de aftrek in de derde pijler (lijfrente, oudedagsreserve) wordt ook verlaagd.

 

Pensioenopbouw over een salaris van maximaal € 100.000

Het salaris waarover pensioen kan worden opgebouwd, wordt gemaximeerd op € 100.000. Dat bedrag is blijven staan ten opzichte van de eerdere kabinetsvoorstellen. De ingewikkelde regeling voor een netto-spaarfaciliteit in de pensioensfeer is gesneuveld. Dat viel te verwachten. Die faciliteit was vrijwel onuitvoerbaar en marginaal voor mensen met een inkomen lager dan € 100.000.

Voor mensen met een inkomen boven € 100.000 wordt het mogelijk gemaakt een oudedagsvoorziening te realiseren die neerkomt op een pensioenopbouw van 1,875% van het gemiddelde salaris. Deze faciliteit wordt geïntroduceerd als nettolijfrente, waarbij de inleg uit het nettoloon geschiedt. Deze nettolijfrente wordt in box 3 vrijgesteld en de uitkering is onbelast. De nettolijfrente is een vrijwillige regeling, de betreffende werknemer heeft dus zelf de keuze of en in hoeverre hij meedoet aan die regeling.

De werkgever mag een werknemer een bijdrage geven voor de nettolijfrente. Maar als de werkgever aan andere werknemers die in dezelfde situatie zitten geen vergelijkbare bijdrage geeft, dan vervalt de vrijstelling in box 3 voor de eerstbedoelde werknemer.

Uitvoerders voor de nettolijfrente zijn een verzekeraar, een bank of beheerder van een beleggingsinstelling. Pensioenfondsen mogen de nettolijfrente niet uitvoeren. De mogelijkheden in de keuze voor een uitvoerder sluiten aan bij het vrijwillige karakter van de nettolijfrente. Het algemene deel van de memorie van toelichting lijkt ruimte te bieden dat de groep deelnemers zelf een aanbieder van nettolijfrenten kunnen oprichten. In het wetsvoorstel zelf heb ik deze ruimte niet gevonden.

Of en in hoeverre het een verstandige keuze is om gebruik te maken van deze nettolijfrente-faciliteit is de vraag. Die vraag is alleen goed te beantwoorden als de verschillende scenario’s worden doorgerekend. Pensioenadvies zal voor werknemers met een dergelijk inkomen integraal onderdeel gaan uitmaken van een financieel-planningsadvies. Poul Gelderloos PensioenInzicht biedt die integrale dienstverlening al als onderdeel van Executive Services.

 

Het 40-deelnemingsjarenpensioen wordt een dode letter

Het 40-deelnemingsjarenpensioen is nu een levenslang pensioen dat inclusief het ouderdomspensioen niet meer is dan 70% van het pensioengevend loon. De maximumgrens van dit pensioen wordt ook aangepast, het wordt maximaal 75% van het gemiddeld pensioengevend loon.

Door de grens te relateren aan het gemiddelde loon wordt de regeling een dode letter. In de eerste plaats ontbreken de historische salarisgegevens voor de bepaling van het gemiddelde loon over zo’n lange periode. In de tweede plaats zal blijken dat sprake is van een uitholling van het 40-deelnemingsjarenpensioen als de werknemer gedurende lange tijd een ouderdomspensioen op eindloonbasis had.

Dat betekent dat deze pensioensoort maar beter afgeschaft kan worden: nauwelijks uitvoerbaar en materieel marginaal voor de werknemer.