De uitvoeringsmaatregelen van Weekers

Vlak voor kerst heeft staatssecretaris Weekers een aantal uitvoeringsmaatregelen voor pensioenregelingen gepubliceerd. Die gaan over de volgende onderwerpen:

Partner- en wezenpensioen voor werknemers die zijn geboren voor 1950

Bij een vorige maatregel (in 2005) is er overgangsrecht opgenomen voor werknemers die zijn geboren voor 1950. Hun pensioenopbouw zou niet worden getroffen door de maatregelen die vanaf 2005 gingen gelden. Voor hun partner- en wezenpensioen hoefde geen overgangsmaatregel te komen omdat de fiscaal maximaal toegestane percentages voor die pensioenen niet wijzigden. Maar die percentages veranderen nu wel in 2014, dus moet er alsnog overgangsrecht komen.

Het overgangsrecht houdt in dat voor de betreffende werknemers het partner- en wezenpensioen mag worden gebaseerd op de grenzen die voor hen op 31 december 2004 golden. Alles blijft dus bij het oude voor werknemers die zijn geboren voor 1950.

Een overschrijding van de grenzen van het wezenpensioen

Dit onderwerp betreft een goedkeuring van de staatssecretaris over cijfers ver achter de komma. Als in de pensioenregeling het partnerpensioen 70% van het ouderdomspensioen is en het wezenpensioen op 20% van het partnerpensioen, dan is sprake van een wezenpensioen dat 0,002% te hoog is. Gelukkig is het partnerpensioen in deze situatie 0,005% te laag. Hierdoor blijft de pensioenregeling als geheel binnen de fiscale grenzen.
De staatssecretaris keurt expliciet goed dat in dergelijke gevallen sprake is van een pensioenregeling die fiscaal binnen de grenzen blijft.

Partner- en wezenpensioen op risicobasis

Als een pensioenregeling een partner- en wezenpensioen heeft waarvoor jaarlijks een risicopremie wordt betaald als de werknemer in dat jaar komt te overlijden (pensioenen op risicobasis), dan wordt dat partner- en wezenpensioen gebaseerd op de fiscale maxima die in dat jaar gelden. En als die fiscale maxima na dat jaar lager zijn, dan worden die pensioenen vervolgens gebaseerd op die lagere fiscale maxima. Dat klinkt en is ook logisch. Voor partner- en wezenpensioenen heeft dat echter wel een merkwaardig effect. Die pensioenen kunnen bij een verlaging van de maximale opbouwpercentagesfors dalen. Dit wordt veroorzaakt doordat de ‘oude dienstjaren’ nu opeens ook tegen die lagere maxima worden berekend.
Bij een partner- en wezenpensioen waarvoor jaarlijks wordt ‘gespaard’ (pensioenen op opbouwbasis) treedt dit effect over de ‘oude dienstjaren’ niet op. Voor die jaren zit er namelijk geld ‘in de pot’ en dat wordt niet verlaagd.

Dit werd onredelijk gevonden. De staatssecretaris keurt daarom goed dat het partner- en wezenpensioen voor die oude jaren mag worden gebaseerd op de in die jaren geldende fiscale maxima.

Omzetting van pensioenaanspraken met recht op indexatie naar 67 jaar

De goedkeuring van de staatssecretaris op dit onderwerp heeft volgens mij betrekking op een enigszins theoretische situatie. Maar toch is die situatie in theorie niet uit te sluiten. Daardoor is het goed dat een uitspraak van e staatssecretaris eventuele discussies met de fiscus in de kiem smoort. Wat is het geval?

Een pensioenregeling kent een pensioenleeftijd van 65 jaar, de uitkeringen worden geïndexeerd. Als een dergelijke regeling wordt omgezet naar een regeling met een pensioenleeftijd op 67 jaar (ook geïndexeerd), dan worden niet alleen de uitkeringen die op 65- en op 66-jarige leeftijd worden genoten verschoven naar een later moment. Ook worden de indexeringen doorgeschoven die de gepensioneerde op 65 en 66 jaar zou hebben gekregen. Door de omrekening van de indexatie naar 67-jarige leeftijd zou het totale pensioen hoger kunnen worden dan de fiscaal maximaal toegestane grens van 100% van het laatstgenoten salaris. Ik zei al dat het mij theoretisch leek, maar toch.

Om discussies hierover te voorkomen, keurt de staatssecretaris goed dat een overschrijding van die 100%-grens door de bedoelde omzetting naar 67-jarige leeftijd voor dat gedeelte niet wordt meegenomen bij de beoordeling aan de genoemde 100%-grens. Voor het partnerpensioen geldt een vergelijkbare goedkeuring.

Contracten waarbij premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is ingegaan

Veel pensioenregelingen kennen een bepaling voor het geval de werknemer arbeidsongeschikt wordt. De premiebetaling voor zijn pensioenopbouw wordt dan door de pensioenuitvoerder overgenomen voor het gedeelte dat de werknemer arbeidsongeschikt wordt. Die voortgezette premiebetaling door de pensioenuitvoerder is gebaseerd op de opbouwpercentages die golden op het moment dat de werknemer arbeidsongeschikt werd. En deze opbouwpercentages kunnen dus hoger zijn dan de percentages die met ingang van 2014 gelden.

Moeten dergelijke regelingen nu ook worden aangepast aan de nieuwe maxima? Dat hoeft niet van de staatssecretaris. Hij stelt daarbij de volgende voorwaarden:

  • de premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid is uiterlijk ingegaan op 31 december 2013;
  • de voortzetting van betaling van de premiebedragen door de verzekeraar voor de pensioenopbouw van de arbeidsongeschikte werknemer moet onderdeel uitmaken van de pensioenregeling;
  • de omvang van de premievrijstelling staat vast op het moment waarop de premievrijstelling ingaat;
  • bij een latere verlaging van de mate van arbeidsongeschiktheid blijft de goedkeuring gelden voor het verlaagde gedeelte, voor het overige deel vervalt de goedkeuring; bij een latere verhoging zijn de fiscale regels van toepassing die gelden op het moment van verhoging;
  • als de pensioenregeling van de werkgever wordt gewijzigd en daarbij ook expliciet van toepassing is op de premievrije pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid, dan vervalt de goedkeuring van de staatssecretaris.